STRAFKAMP YDE 1944-1945

DE AANLEIDING

ORGANISATION TODT

 

 

In 1933 werd Fritz Todt benoemd tot ‘Generalinspektor für das deutsche Strassenwesen’. Hierdoor werd hij verantwoordelijk voor de aanleg van de ‘Reichsautobahnen’ en was hij direct ondergeschikt aan Adolf Hitler. Voor de aanleg van de autosnelwegen creëerde Todt een organisatie, die in 1938 uitgroeide tot de ‘Organisation Todt’ (OT). Op dat moment was Todt als ‘Generalbevollmächtigter für die Regelung der Bauwirtschaft’ verantwoordelijk voor het hele bouwwezen in het Derde Rijk. Het eerste grote project dat de OT uitvoerde was de bouw van de ‘Westwall’, een verdedigingslinie aan de grens met Frankrijk. Vanaf 1940 was de OT actief in de bezette gebieden, waar ze zich bezighield met herstel en wederopbouw van straten, bruggen en spoorwegen. Daarnaast werden onder leiding van de OT steunpunten en bunkers gebouwd voor de Duitse onderzeeërs. In 1943 legde de organisatie lanceerinstallaties aan voor de V1 en de V2 en bouwde zij aan de kust van de bezette gebieden in het westen de ‘Atlantikwall’. Ook werd de OT ingezet om schuilkelders aan te leggen in Duitse steden en de schade van de toenemende bombardementen te herstellen. Speciale militair georganiseerde eenheden van de OT werden als pioniers ingezet aan het front. In 1940 werd Todt benoemd tot ‘Reichsminister für Bewaffnung und Munition’. Hij kon hierdoor zijn OT verder uitbouwen tot een van de belangrijkste organisaties in nazi-Duitsland. Dankzij zijn vele uiteenlopende volmachten wist Todt veel vertragende bureaucratische processen te omzeilen en kon hij zijn organisatie zeer onafhankelijk laten opereren.

 

Op 8 februari 1942 kwam Fritz Todt om bij een vliegtuigongeluk nabij het ‘Führerhauptquartier’ in Rastenburg (Oost-Pruisen). Nog altijd zijn er vermoedens dat Adolf Hitler zelf de hand heeft gehad in zijn dood. Todt werd in al zijn belangrijke functies opgevolgd door de architect Albert Speer, dietot de kleine kring van Hitlers hofhouding behoorde. Ook de OT kwam onder zijn leiding te staan. Als ‘Reichsminister für Rüstung und Kriegsproduktion’ werd hij verantwoordelijk voor de hele oorlogseconomie. Speer hervormde de OT tot een goed georganiseerd geheel, die als schakel tussen de ‘Wehrmacht’ en de private bouwsector kwam te staan. De OT voerde de opdrachten van de Wehrmacht uit en maakte daarbij gebruik van gecontracteerde aannemersbedrijven uit Duitsland en de bezette gebieden. De organisatie werd vanuit de ‘OT-Zentrale’ (waar maar liefst 57.000 man personeel werkzaam was) in Berlijn geleid. Verder was de OT per landsdeel georganiseerd in zogenaamde zelfstandig werkende ‘OT-Einsatzgruppen’. Een ‘OT-Einsatzgruppe’ was weer onderverdeeld in ‘Oberbauleitungen’, die verantwoordelijk waren voor een bepaalde regio of een bepaald bouwproject. Een ‘Oberbauleitung’ was vervolgens verder onderverdeeld in ‘Bauleitungen’, die op hun beurt weer bestonden uit ‘Einsätze’ of ‘Abschnittsbauleitungen’.

 

Rangen

Net als vrijwel alle nationaal-socialistische organisaties in het Derde Rijk was de OT militair georganiseerd. Dit kwam onder meer tot uiting in onderstaande rangentabel, die vanaf de eenvoudige OT-Arbeiter opliep tot de Chef der OT:

 

– Chef der OT

– OT-Einsatzgruppenleiter I

– OT-Einsatzgruppenleiter II

– OT-Einsatzleiter

– OT-Hauptbauleiter

– OT-Oberbauleiter

– OT-Bauleiter

– OT-Hauptbauführer

– OT-Oberbauführer

– OT-Bauführer

– OT-Haupttruppführer

– OT-Obertruppführer

– OT-Truppführer

– OT-Obermeister

– OT-Meister

– OT-Vorarbeiter

– OT-Stammarbeiter

– OT-Arbeiter

 

De speciale fronteenheden kenden een andere rangverdeling:

 

– OT-Einsatzleiter

– OT-Oberstfrontführer

– OT-Oberstabsfrontführer

– OT-Stabsfrontführer

– OT-Hauptfrontführer

– OT-Oberfrontführer

– OT-Frontführer

– OT-Haupttruppführer

– OT-Obertruppführer

– OT-Truppführer

– OT-Obermeister

– OT-Meister

– OT-Vorarbeiter

– OT-Arbeiter

 

Personeel

De arbeiders van de OT waren in eerste instantie vrijwillige of dienstplichtige Duitsers. De OT-leden droegen olijfgroene uniformen met een hakenkruisband om de arm. In de Tweede Wereldoorlog wierf de OT al snel ‘vrijwilligers’ in de bezette gebieden. Vanaf 1942 werden ook dwangarbeiders en krijgsgevangenen ingezet. Een jaar later leverden ook de concentratiekampen – waar mogelijk – arbeidskrachten voor de OT. Al deze arbeiders moesten zeer zware werkzaamheden verrichten, waarbij velen onmenselijk werden behandeld. Eind 1944 telde de OT ongeveer 1,4 miljoen arbeidskrachten. Slechts een heel klein gedeelte hiervan bestond uit Duitsers, meestal oudere of gehandicapte soldaten uit de Wehrmacht, die niet meer geschikt waren voor frontdienst.

 

OT in Nederland

In mei 1940 werd de ‘OT-Einsatzgruppe West’ opgericht. Bij de Duitse inval in Frankrijk, België en Nederland volgden de gemotoriseerde ‘Frontarbeiterkolonnen’ van de OT de Wehrmacht op de voet. De OT werd ingezet om verkeerswegen te herstellen en pionierswerkzaamheden te verrichten. Het hoofdkwartier van OT-Einsatzgruppe West kwam in Parijs. De organisatie van de OT in Nederland was vrij gecompliceerd. Tot eind oktober 1942 bestonden er in Nederland twee Oberbauleitungen, namelijk ‘Holland Süd’ (Rotterdam) en ‘Holland Nord’ (Haarlem). Beide afdelingen waren ondergeschikt aan de ‘Oberbauleitung Belgien’. Vanaf begin november 1942 viel de OT in Nederland rechtstreeks onder Einsatzgruppe West. De twee afdelingen werden samengevoegd tot ‘Einsatz Holland’ en het hoofdkantoor kwam in Delft. In 1943 werd de Nederlandse afdeling omgedoopt tot ‘Oberbauleitung Holland’, maar in april 1944 werd dit weer ongedaan gemaakt.

 

Vanaf juli 1944 waren er plannen om drie nieuwe Oberbauleitungen te vormen, waarin een aantal ‘Bauämter’ van de ‘Kriegsmarine’ en de ‘Luftwaffe’ zouden worden ingevoegd. Deze plannen leidden echter alleen maar tot verwarring. Begin september 1944 werd het hoofdkantoor van Einsatz Holland, dat al eerder van Delft naar Culemborg was verplaatst, in Ommen gehuisvest. In diezelfde maand werd Einsatz Holland onder ‘OT-Einsatzgruppe Hansa’ geplaatst, omdat OT-Einsatzgruppe West inmiddels was opgeheven door de snelle opmars van de geallieerden. Einsatz Holland probeerde zich te herstructureren. Naast de Oberbauleitungen in Lochem en Zwolle kwam er nog een derde in Assen. Maar nadat Einsatzgruppe Hansa werd gesplitst, bleven de reorganisaties elkaar opvolgen en was de chaos compleet. Begin april verhuisde het hoofdkantoor van Einsatz Holland naar Winschoten, maar slechts een paar dagen later verliet de OT Nederland definitief.

 

De Oberbauleitungen – in het Nederlands ‘hoofdbouwleiding’ – waren vernoemd naar de hoofdbouwleiders. De afdeling in Assen heette ‘Hoofdbouwleiding dr. Winkler’, die in Lochem ‘Hoofdbouwleiding Wilde’ en die in Zwolle ‘Hoofdbouwleiding Klomp’. De hoofdbouwafdelingen waren verder onderverdeeld in bouwafdeling en, hoofdreferaten, referaten en zaakgebieden. Ook in Nederland maakte de OT veel gebruik van dwangarbeiders. In totaal werden ongeveer 60.000 burgers in meer of mindere mate gedwongen bouw- en graafwerkzaamheden voor deze organisatie te verrichten. Naast Duitse bewakers werden ook Duitsgezinde Nederlanders opgeleid tot toezichthouder. Zij droegen zwarte uniformen en een armband met daarop de tekst Organisation Todt.

 

 

 

 

DE WESTWALL

Na de geallieerde invasie op 6 juni 1944 in Normandië werden aan Duitse zijde al snel nieuwe plannen gemaakt voor de verdediging van het steeds kleiner wordende Derde Rijk. Hitler gaf op 30 augustus het bevel om de Westwall, de verdedigingslinie langs een deel van de Duitse grens, opnieuw in gebruik te nemen. De Duitsers zouden zo de mogelijkheid krijgen om te hergroeperen, de geallieerde opmars te stoppen en het tij van de oorlog te keren. Om te voorkomen dat de geallieerde legers er aan de noordkant omheen zouden trekken moest de Westwall wel worden uitgebreid. Op de bestaande linie, die van de Zwitserse grens tot aan Kleef liep, moest de IJssellinie (Arnhem-Zwolle) worden aangesloten en door het noorden van Nederland moest een nog nieuw aan te leggen verdedigingslinie worden gebouwd. Deze zou van Zwolle naar Meppel, langs de Drentse Hoofdvaart naar Assen, vanaf daar langs het Noord-Willemskanaal naar Groningen en vervolgens langs het Eemskanaal naar Delfzijl aangelegd moeten worden. Met deze verdedigingslinie moesten geallieerde aanvallen vanuit het westen gestopt worden en zo de grenzen van het Derde Rijk op Nederlands grondgebied worden verdedigd.

 

Deze uitbreiding moest zo snel mogelijk klaar zijn en bestand zijn tegen grootscheepse aanvallen van de geallieerde legers. Naast grondtroepen moesten ook tanks ermee gestopt kunnen worden. De linie werd daarom opgebouwd uit een tankgracht en twee rijen loopgraven, allen door middel van verbindingsloopgraven aangesloten op elkaar of op achterliggende wegen. Afhankelijk van het terrein en de hoogte van het grondwater moesten de loopgraven in de grond of er boven worden gelegd. Op het Balloërveld zijn de bovengrondse loopgraven nog goed zichtbaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overal werden de loopgraven en de tankgracht in zigzag-vorm gegraven en op veel plekken versterkt met (betonnen) eenmansgaten of mitrailleuropstellingen. De tankgracht was drie a vier meter diep en liep aan de westzijde schuin naar beneden. Tanks zouden er dan wel in kunnen rijden, maar er niet meer uit vanwege de steile oostzijde. Per dag moesten door de arbeiders zes meter worden aangelegd. In het deel van de linie tussen Zwolle en Meppel en tussen Groningen en Delfzijl werd naast een tankgracht en loopgraven vooral gebruik gemaakt van inundatie (onder water zetten) om de doorgang te blokkeren.

 

Filmpje RTV Drenthe over de "Frieslandriegel":

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verplichte tewerkstelling

De organisatie van en het toezicht op de aanleg van de verdedigingslinie was in handen van de Organisation Todt. Omdat de aanleg op korte termijn moest beginnen en er duizenden mensen tegelijk aan het werk gezet moesten worden, kozen de Duitsers voor verplichte tewerkstelling. Per stad werd bepaald hoeveel arbeidskrachten het zou kunnen leveren en dit werd aan de burgemeester van de betreffende stad meegedeeld. Binnen korte tijd moesten de mannen klaar zijn voor vertrek. In Leeuwarden verscheen op 30 september in de krant dat ‘alle mannelijke personen geboren in de jaren 1909 tot en met 1927 gevorderd werden voor het verrichten van persoonlijke diensten (graafwerk)’.

 

Melden of duiken???

De mannen die werden opgeroepen werden voor een moeilijke keuze gesteld; zal ik me melden of zal ik onderduiken? Vanuit de ondergrondse werd opgeroepen om niet te gaan werken, er moest immers gewerkt worden aan Duitse verdedigingswerken om de bondgenoten tegen te houden. Maar de dreigementen van de Duitse bezetter waren ook fors. Toch kozen er veel voor om onder te duiken en voor hen brak dan een spannende en moeilijke tijd aan. Om de haverklap werden er razzia’s gehouden. Ook werden er door verraad veel onderduikers gepakt. De gepakte onderduikers werden, na vaak een nacht in een plaatselijke politiecel, overgebracht naar het Huis van Bewaring (Blokhuispoort) in Leeuwarden. Daar was hun lot onzeker, gingen ze op transport naar Duitsland of Drenthe? Een aantal van hen bracht het er nog minder af en werden willekeurig op een dodenlijst gezet waardoor ze bij represailles door de Duitsers werden gefusilleerd.

Na enkele weken onder slechte omstandigheden in de gevangenis in Leeuwarden doorgebracht te hebben werden de mannen op een vrachtwagen of in een bus geladen. Ook tijdens de reis wisten ze niet wat de eindbestemming moest worden. Ook werden enkele malen transporten beschoten door Tommies. Iedereen haalde opgelucht adem als de eindbestemming Drenthe bleek te zijn. Ze waren dan dicht bij huis en hadden geen last van bombardementen, zoals in Duitsland veel het geval was. De gevangenen werden ondergebracht in een ‘strafcolonne’ zoals ze het zelf noemden. De mannen die zich ‘vrijwillig’ meldden kwamen in de ‘vrije colonne’ terecht en werden veelal bij de lokale bevolking ondergebracht. Door ruimtegebrek werd de vrije ploeg soms ook wel ondergebracht in gevorderde scholen of in fabrieksgebouwen.