NIEUWS

STRAFKAMP YDE 1944-1945

HERINNERINGEN

BEREND WESTER

Ondergedoken in de Alde Feanen

Na de geallieerde invasie op 6 juni 1944 in Normandië werden aan Duitse zijde al snel nieuwe plannen gemaakt voor de verdediging van het steeds kleiner wordende Derde Rijk. Hitler gaf op 30 augustus het bevel om de Westwall, de verdedigingslinie langs een deel van de Duitse grens, opnieuw in gebruik te nemen. Om te voorkomen dat de geallieerde legers er aan de noordkant omheen zouden trekken moest de Westwall worden uitgebreid. Door het noorden van Nederland moest een nieuwe verdedigingslinie worden gebouwd. Deze nieuw te bouwen linie werd “Frieslandlinie” genoemd. Omdat de aanleg van de Frieslandlinie op korte termijn moest beginnen en er duizenden mensen tegelijk aan het werk gezet moesten worden, kozen de Duitsers voor verplichte tewerkstelling. In Leeuwarden verscheen op 30 september 1944 in de krant dat “alle mannelijke personen geboren in de jaren 1909 tot en met 1927 gevorderd werden voor het verrichten van persoonlijke diensten”. Voor veel mannen die “in de leeftijd” waren, werd het een moeilijke tijd. Ze werden voor de keus gesteld; melden of duiken? Velen kozen voor het laatste.

 

Zo was het ook in het kleine dorpje Eernewoude. Geale Postma vertelt daar het volgende over:

We moesten onderduiken, want anders moesten we putjesscheppen in Drenthe en dat wilden we niet. Maar we konden wel ons normale leventje voortzetten, want als er een razzia kwam dan werden we in Eernewoude wel gewaarschuwd vanuit de omliggende dorpen. Als er een overvalwagen met Duitsers onderweg was, dan belden ze vanuit Wartena naar Eernewoude dat we weg moesten wezen, dat ze onderweg waren. Langzamerhand werd het leven moeilijker. Zo vond er overdag ook eens een onverwachte razzia plaats. Wij konden thuis nog net op tijd in onze schuilplaats komen, maar er zijn toen en aantal jongens gepakt. Later was het niet meer vertrouwd in het dorp en moesten we de Alde Feanen (natuurgebied) in. We zijn toen ‘s nachts vertrokken met een boot van Jan Vaartjes. We zijn toen naar Goengahuizen gegaan. Uiteindelijk zijn we met een man of 14 in een schip van Berend Mink gegaan.

 

Op het schip van Berend Mink zaten ondergedoken: Brûn Veenstra, Piter, Rinze, Geale en Johannes Postma, Piter Tjeerdsma, Berend Mink en Eibert van Dijk. Ze hadden altijd veel lol aan boord. Er was geen sprake van verveling en angst. Om beurten hielden ze de wacht en zorgen ze voor het eten, waar geen gebrek aan was. Geale was toen 26, zijn broer Johannes was 20 jaar. Hun vriend en dorpsgenoot Berend Wester was toen 17. Hij zat niet “in de leeftijd”, maar hij moest wel onderduiken omdat hij teveel wist. Bij de Westers thuis speelde zich namelijk van alles af. Berend zijn ouders, Gjalt en Aaltsje, hadden een kruidenierswinkel. Zij en hun zoon Harrid en Hilbert waren actief in het verzet. Gjalt Wester had contacten met Piet Oberman, de man die later de leiding had tijdens de beruchte overval op de Leeuwarder gevangenis. Zo stopte er op een dag een Duitse motor met zijspan bij de winkel van Gjalt. Het bleken leden van de ondergrondse te zijn, in Duits uniform, die wapens kwamen brengen die bij Gjalt onder de vloer werden verstopt.

 

Berend had een zuster, Tryntsje, die getrouwd was met Sierd Visserman. Sierd was schipper van een schip van 160 ton, de “Actief”. Sierd werd in september 1944 door de Duitsers gedwongen om voor hen te varen. Het schip zou ingezet worden voor troepentransport. Visserman weigerde dit en hij zocht een schuilplaats voor het schip. Hij laat het schip uiteindelijk, nadat de motor gedemonteerd was, afzinken in de Ielterm, zuidelijk van Eernewoude. Alleen het bovenste deel stak boven water uit.

Berend vertelt:

 

De Actief kwam vlakbij het schip van Berend Mink te liggen. Op een zondag kwamen we uit de kerk toen er verschrikkelijk geschoten werd. Wij naar het schip toe in onze schouw. Het bleek dat het schip doorzeefd was met kogels. We hebben toen het schip gecamoufleerd met takken. Het vuur werd ons te heet onder de voeten en toen zijn we ondergedoken in het schip. Dat kon, want de roef lag nog boven water, dat lag nog droog. Op een vrijdagmorgen kwamen er twee snoekvissers bij de boot. Ze vroegen aan Harrit:”Kennen jullie Theo de Leeuw ook?”. “Nee, die kennen wij niet”. Toen zijn ze weer vertrokken. De zondag daarop waren ze er weer. Johannes vertrouwde het niet. We moeten maar verkassen naar een andere onderduikplek, was de algemene mening. Vanwege slecht weer bleef dat erbij. Het werd uitgesteld en al snel was het te laat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

v.l.n.r. Harrit, Trijntje, Hilbert Wester voor de winkel in Eernewoude

 

Het gaat mis!

Hun voorgevoel klopte. De verrader bleek later de uit Lemmer afkomstige architect Jurjen Koksma te zijn. Volgens Berend was het Koksma om het schip te doen. Op vrijdag 17 november 1944 keerde Koksma terug met een troep gewapende Duitse vrienden, waaronder Gründmann, de leider van de Sicherheitsdienst. Elf onderduikers werden gearresteerd en naar het Huis van Bewaring in Leeuwarden overgebracht. Het waren:

 

  • Rinze Postma
  • Geale Postma
  • Brûn Veenstra
  • Piter Tjeerdsma
  • Sierd Visserman
  • Anne Bergsma
  • Harrit Wester
  • Hilbert Wester
  • Berend Wester
  • Jeppe Zeilmaker
  • Willem de Zeeuw

 

Johannes Postma wist, met moeite, te ontkomen en ook enkele anderen ontsprongen de dans. De kogels vlogen hen om de oren en er werden zelfs handgranaten gebruikt. Gelukkig raakte er niemand gewond. Maar voor sommigen moest het ergste nog komen. In de gevangenis moesten Sierd Visserman en Berend Wester, de jongste van de groep, onmenselijke verhoren ondergaan. Berend:

 

Maar we hebben gezwegen. Ze zijn er ook nooit achtergekomen dat we zwagers waren.

 

Ze werden verhoord door Gründmann zelf. Willem de Zeeuw trad op als tolk en zat bij Berend en Harrit Wester op zaal 5. Berend kreeg elke avond van Harrit op het hart gedrukt om te blijven zwijgen. “Al schieten ze je dood, er hangen teveel mensenlevens aan vast”. Op een dag moeten Harrit , Hilbert, Anne Berend voor verhoor naar het kantoor van de SD op het Zaailand. Ze werden opgesloten in de ‘zweetcel’, een cel van een vierkante meter zonder ventilatie. Het was er vreselijk warm en benauwd. Ze hebben daar bijna de hele dag gezeten, totdat om ongeveer half drie Berend eruit wordt gehaald. Berend vertelt hierover:

Ik hoor het Harrit nog zeggen; zwijgen zwijgen! Ik werd naar boven gebracht en moest voor het bureau van Gründmann staan. De wacht stond achter mij. Het eerste wat Gründmann vroeg, ik zal het nooit vergeten:” Wil jij de waarheid spreken?”. Nou, daar kun je geen nee op antwoorden. Dus ik zei “ja” en kreeg gelijk een klap tegen mijn hoofd. Een oog dicht, een beetje bloed uit mijn mond en neus. Ik dacht, dit begint goed, ik had nog niks gezegd. En toen begon hij. Ik keek naar buiten. Hij vloog overeind, of ik naar hem wilde luisteren. Ik zei:”ik versta u niet, ik ken geen Duits”. Ik dacht, ik heb hulp nodig ik moet tijd rekken. Toen kreeg ik een tolk, dat was een vent met één bruin en één blauw oog”. Ik verstond wel wat Duits, maar zo had ik meer tijd om over de antwoorden na te denken”. Na het verhoor werd ik door de kamer geschopt, maar dat vond ik meevallen, dat was nog wel uit te houden. Bij het volgende verhoor, op dezelfde dag, kreeg ik een trap in mijn rug. Toen ik me omdraaide, stond er een vrouw. Die heeft mij verschrikkelijk pijn gedaan, alleen al omdat het een vrouw was. De verhoren gingen door en op het laatst sloeg Gründmann een biljartkeu stuk op mijn rug. Het zullen de zenuwen geweest zijn, maar ik begon te lachen. Gründmann zei dat ik doodgeschoten zou worden. Dan gaat er heel wat door je heen. Ik dacht nog, zal dit het laatste zijn? Ik werd daarna nog vreselijk afgeranseld en werd daarna als oud vuil in de zweetcel gegooid. Maar ik viel zacht, want er zaten toen zes man in. Ze hebben me goed opgevangen.

 

Daarna werd Harrit verhoord. Ze hebben hem niets aangedaan. Daarna werden de twee broers uit de cel gehaald. Ze waren bang dat ze zouden worden doodgeschoten. Ze gingen gelukkig weer terug naar de gevangenis. Berend stortte in en knapte langzamerhand weer wat op.

 

In Eernewoude waren ze overal van op de hoogte. Cipier Kikstra smokkelde een potloodje en papier de cel in en zorgde ervoor dat deze werden gegeven aan de vrouw van De Zeeuw die de briefjes naar Eernewoude bracht. Op een dag kregen ze de afscheidsbrief van Sierd in handen, hij zou worden doodgeschoten. De brief ging ook naar de zus van Berend, de vrouw van Sierd in Eernewoude. Piter Tjeersma was erg ziek en mocht op een gegeven moment naar huis. Zaterdag 2 december 1944 gingen de anderen, met uitzondering van Sierd en Rinse, op transport naar strafkamp Yde. Rinse mocht op 5 december naar huis, dit kwam door toedoen van Piet Miedema. Rinse was de enigste kapper in Eernewoude, de mensen daar konden met Sinterklaas toch niet met lang haar rond lopen!

 

Sierd Visserman bleef in de gevangenis en stond op de nominatie om in Dronrijp te worden gefusilleerd, maar werd op 8 december bij de succesvolle overval door de ondergrondse bevrijd.

 

Strafkamp Yde

Het groepje Eernewoudsters zat toen al een aantal dagen in strafkamp Yde. Ze wisten al snel hoe het met Sierd was afgelopen, want er fietsen regelmatig vrouwen van Eernewoude naar Yde om etenswaren en schone kleding te brengen. Dat was ook wel nodig, want de jongens zaten al snel onder de luizen. De dames mochten voor het hek staan en zo konden ze met elkaar praten. De vrouwen moesten in Yde overnachten, omdat ze niet op dezelfde dag terug konden. Na informeren bleek er vlakbij een boer te zijn met een café waar ze de eerste nacht hebben doorgebracht. Dat beviel zo goed dat ze daar vaker mochten overnachten.

 

Geale Postma vertelt:

Die mensen waren zo goed, hun zoon bracht ons af en toe wat koffie en een brood en dat deelden we dan met elkaar. We hebben zulke goede herinneringen aan die mensen, we komen nog geregeld bij elkaar, sturen elkaar nieuwjaarskaarten en zo

 

Geale heeft 12 weken in het strafkamp gezeten, Berend korter.

 

Berend vertelt:

Ik ben op het laatst van januari weer thuis gekomen. Op een morgen moest de hele groep aantreden om te gaan werken. We werden geteld tot het “stimmde”. Toen werd er geroepen “Die gebruder Harrit und Berend Wester mussen auftreden”. De anderen gingen naar het veld om te werken, wij moesten de school weer in. We kwamen bij een onbekende officier, die zei dat we naar de Ortskommandant in Vries moesten gaan. We moesten zelf maar uitzoeken hoe we daar kwamen; liften of lopen. Dus wij daarheen en daar kregen we een vrijgeleidebrief. We moesten ons melden in het kantoor van de SD in Leeuwarden, hetzelfde adres waar we ons verhoor hadden gehad. Daar hadden we niet zulke goede herinneringen aan. Wij eerst weer terug naar de school. “Wat denk je, zei Harrit. Ik zei:’lopen en wegwezen”. Wij hebben een briefje geschreven op het ‘bed’ van Hilbert en toen naar huis. Om ongeveer zes uur waren ze bij Ureterp. Toen kwam er een Duitse patrouiile aan., dus wij van de weg af. Daar lag een schip waar “Hoekstra” op stond. Dat was het schip van ome Aldert! Dus wij naar binnen. Het eerste wat we deden was luizen vangen.

 

Via Drachten zijn ze de volgende dag weer naar huis gefietst. Ze waren niet bang, omdat ze een vrijgeleidebrief hadden. Ze meldden zich vanzelfsprekend niet in Leeuwarden. Berend is daarna in Oudega ondergedoken.

 

Goede Duitsers

Geale Postma vertelt:

Na zoveel weken kwam je in de vrije ploeg. Dan mocht je zelf weten bij welke boer je wilde overnachten. Maar dan liepen de meesten natuurlijk weg. Dat heb ik ook gedaan. Eerst is Brûn Feenstra vertrokken. Hij is door Rinse op de fiets opgehaald. Het was wel gevaarlijk. Sommige werden dan weer opgepakt. Eén zou worden doodgeschoten en de anderen moesten toekijken. Er werd nog iemand uit de groep gehaald, die zou ook worden doodgeschoten. Maar vlak voordat het zou gebeuren, stapte er een oudere Duitse soldaat naar voren. Hij praatte even met de Duitse commandant die het geweer al in de aanslag had en toen is het niet doorgegaan. Die ene jongen lag die avond wel te huilen op de zolder van de school. De oude Duitser is toen nog bij hem geweest om hem te troosten. Ja, er waren ook wel goeie Duitsers! We werden geteld bij de school, op het veld waar we moesten werken, bij het eten, als we weer begonnen met werken werden we geteld en voordat we weer naar de school gingen. Op een morgen waren we weer op het veld en die goeie Duitser was de bewaker. Toen kwam hij bij ons om te praten. “Ik naar huis en jullie naar huis”, zei hij. Zo was het. Hij wilde graag naar huis. Toen kwam de commandant eraan en toen weer snel aan het werk. Van anderen konden we een schop krijgen als we niet hard genoeg werkten.

 

Nadat Geale in de vrije ploeg kwam, heeft hij geslapen bij dezelfde boer, waar zijn zusters ook wel hadden geslapen. Toen heeft hij nog een paar dagen gewerkt. Op een dag kwamen zijn broer Piter en Harrit Wester, voorzien van een valse pas, op de fiets om Geale op te halen. Ze hebben die avond nog bij dezelfde mensen geslapen en zijn de volgende dag vertrokken.

 

Geale:

Onze Rinse heeft daarna een vrijstelling gekregen, omdat hij kapper was. Piter en Harrit hebben toen de vrijstelling van Rinse meegenomen, toen ze mij ophaalden. Als we dan aangehouden werden, kon ik die gebruiken. Ik moest er dan wel om denken dat ik Rinse heette, natuurlijk. Zo zijn we op de fiets weer thuisgekomen en toen moest ik weer onderduiken. Ik heb wel ondergedoken gezeten in Piter zijn motorboot, ik heb wel in de Kompagnie gelegen, in de Oksekoppen, thuis (daar hadden we een schuilplekje), bij Sjoerd Jansma op de boerderij en ook wel bij Piter en Johanna in het hooi. Overdag waren we thuis, ‘s avonds zochten we onze schuilplaats weer op.

 

Ook anderen hebben gebruik gemaakt van de hulp van de gebroeders Wester. Jan Loonstra schrijft op 12 maart 1945 een briefkaartje aan de familie Timmer (uitbaters van het café tegenover het strafkamp):

Even een kleine S.O.S.. Wij zijn gister (zondagavond) in Eernewoude aangekomen. Alles kits., behalve onze voeten, die zijn iets dikker dan normaal vanwege de blaren. We hebben gister de gehele dag gelopen, tot Oudkerk, vandaar hebben we een paard en wagen geleend naar Eernewoude. Daar zijn we om zeven uur aangekomen en hebben de nacht doorgebracht in een motorboot. We wachten hier nu op onze meisjes die ons hier vandaan zullen halen en dan hopen we weer spoedig thuis te zijn en we hopen Drenthe niet weer te zien voordat de oorlog beëindigd is.

 

Op 15 maart schrijft Jan Loonstra een uitgebreidere brief waarin hij de lange voettocht naar huis beschrijft. In zijn memoires schrijft hij nog dat ze dezelfde dag Eernewoude wilden bereiken, omdat daar kennissen woonden die met ons in het kamp hadden gezeten en die reeds eerder naar huis waren gelopen.

 

Ook komen de Westers voor in het dagboek van Eelke Dijkstra:

19 december 1944

De beide Westers uit Eernewoude ontvangen een vrijstelling en kunnen huiswaarts keren.

 

25 januari 1945

De heer Wester uit Eernewoude gaat morgen terug en deze wil de brief dan wel meenemen.

 

Berend Wester kreeg in 1984 het verzetsherdenkingskruis uitgereikt. Vader Gjalt kreeg voor zijn verzetswerk een onderscheiding van de Amerikaanse opperbevelhebber en latere president Dwight D. Eisenhower. Berend overleed in 2003.

 

Voor Sierd Visserman volgde na de oorlog nog een grote uitdaging om zijn schip terug te krijgen. Dat is weer een verhaal op zich. Er is hier ook een artikel over verschenen in het Friesch Dagblad.

 

Bronnen:

dorpskrant De Luzefeier 1998

Tekens van Toen in Tytjerkstradiel 1940-1945 – Eize de Boer e.a.

Jan Bergsma te Drachten