STRAFKAMP YDE 1944-1945

DE BEVRIJDING

De lange weg naar de vrijheid

Het dagboek van mijn grootvader eindigt op de dag dat hij verlof kreeg en met zijn vrouw naar huis terugkeerde. Dat was op 17 februari 1945. Het was voor mij lange tijd niet duidelijk hoe strafkamp Yde bevrijd werd. Dat veranderde toen ik dankzij Etie Post de brieven en dagboekfragmenten van Jakob Hanenburg kreeg. Jakob was hoofdonderwijzer van de Hervormde School in Rinsumageest en hij werd in februari 1945 samen met Willy Brown, een evacué uit Arnhem, die door Jakob was opgevangen, gearresteerd en ze werden allebei later overgebracht naar strafkamp Yde. Zijn eerste brief vanuit Yde dateert van 19 februari 1945 en zijn laatste dagboekfragment is geschreven op 14 april 1945. Dankzij Jakob Hanenburg weten we hoe strafkamp Yde werd ontruimd en wat er zich daarna heeft afgespeeld. Een tweede bron is de getuigenis van Sam Duin. Hij was als 17-jarige vanuit Beverwijk op weg naar Friesland om bij een boer te gaan werken. Maar zo ver kwam hij niet, hij werd door de Feldgendarmerie gearresteerd bij de Afsluitdijk en werd in strafkamp Yde opgevangen door Willy Brown. Sam Duin woont momenteel samen met zijn vrouw in Alkmaar en zijn getuigenis heb ik vorig jaar op video vastgelegd.

 

7 APRIL 1945

Jakob en Willy zitten al twee maanden in strafkamp Yde. Ze zijn blij dat ze van de zolder zijn verhuisd naar lokaal 2. Willy is tolk geworden van de commandant en maakt ook regelmatig portretten van hem, Willy is een begaafd tekenaar. Sam Duin heeft van Willy een slaapplek gekregen in de berging, zodat hij (vanwege zijn leeftijd) niet tussen de mannen hoeft te slapen. Jakob probeert bij de Abschnitt een vrijstelling te krijgen, Willy blijft liever in het strafkamp. Hij hoeft vanwege zijn functie niet te graven op het veld en hij heeft het daardoor niet slecht. Ze merken dat er de laatste dagen onrust heerst bij de leiding. De geruchtenmachine draait op volle toeren, het is duidelijk dat de geallieerden in aantocht zijn. Op 8 april schrijft Jakob het volgende:

 

Gistermorgen toen we op reis naar het werk waren, kwam het sein, alles inpakken en vertrekken naar Vries. In Vries moesten we verder tippelen. De koffers op wagens, en maar tippelen naar onbekende bestemming. Maar God is onze Leidsman. Van Ide vertrokken om half tien ‘s morgens, ‘s avonds kwart over twaalf in een schoolhuis. Zoeven gaat het verder naar Schoonoord, waar we moeten graven naar het heet.

 

Op zaterdag 7 april werd strafkamp Yde ontruimd en vertrokken ze om 9:30 uur naar Vries. Waarschijnlijk hebben ze zich daar moeten melden bij de Abschnitt. Vanuit Vries vertrokken ze met onbekende bestemming. In het boek “Monnikenwerk in Drenthe” wordt het volgende geschreven:

 

Nabij de pianofabriek in Tinaarlo bleken zich daar alle Abschnitte van de omgeving te verzamelen. Vries en Norg waren al aanwezig, en na ons arriveerde nog het schamele restje van ons oude Paterswolde. Er was geroep en drukte. De paarden werden langs de weg onder de bomen gezet, en de verschillende kolonnes deden zich te goed aan de lauwe rats, die nog juist niet zuur was. Wat ging er met ons gebeuren? Langzaam verstreek het middaguur. Eerst toen de kar met lege gamellen allang weer naar Groningen vertrokken was kregen we zekerheid: we gingen het front tegen. Plaatsen werden gefluisterd….Emmen….Schoonoord…. Vannacht zouden we er aankomen. Angstige beelden doemden op in de fantasie… Dan een doffe dreun, dichtbij. Versplinterd ijzer. Vallen!!! Diep voorover, met het gezicht in de grond. Een granaat vliegt voorbij met een zacht trillende fluittoon.

 

Vanaf Tynaarlo gaat de tocht verder via Rolde, Grollo en Schoonlo. ‘s Avonds komt de hele groep in Klijndijke aan. Om 0:15 uur krijgen Jakob, Willy en Sam onderdak in een schoolhuis in Eezerveen. De volgende dag trekken ze verder naar Klijndijke. Ze blijven daar een paar dagen om graafwerkzaamheden te verrichten en bomen te kappen. Op woensdag 11 april schrijft Jakob:

 

Morgens (Dinsdag 10 April) bleek wel uit alles, dat er weer onraad was. Men gaf ons te kennen dat het werk vlug afgemaakt moest worden, en dat we dan naar huis konden gaan. Aan de waarheid van die verzekering twijfelden we echter. Intussen werden er versperringen over de weg gemaakt en kapten we bomen, tot om twaalf uur plotseling gecommandeerd werd, dat alle gereedschap in de school gebracht moest worden. Toen we daarmee klaar waren, bleek er geen O.T. man meer te zien te zijn, reden waarom wij het wenselijk achten de belofte van dien morgen in vervulling te laten gaan. De meeste jongens verdwenen in Zuidelijke en Oostelijke richting om zo spoedig mogelijk in bevrijd gebied te zijn. Persoonlijk gaf ik er de voorkeur aan, te trachten thuis te komen, omdat jullie vanzelfsprekend in ongerustheid over ons zouden zitten. Enkelen willen liever afwachten, o.a. Willy, om te zien wat er voorshands gebeuren zou. ‘k Heb toen de knoop doorgehakt en met 13 man werd, gepakt en gezakt de terugreis aanvaard.

 

De Duitsers waren zonder aankondiging verdwenen, de dwangarbeiders in verbijstering achtergelaten. Wat moesten ze? Ze waren ver van huis en van alle kanten werd er gevochten. De groep splitst zich op, Sam trekt samen met nog een aantal anderen in zuidelijke richting. Van Jakob krijgt hij zijn leren jas en hij krijgt een aantal boterhammen mee. Hoe het Sam is vergaan kunt u van hem horen in dit fragment uit een langer interview:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De groep van Jakob en Willy besluiten dus om in westelijke richting te trekken, richting het Heitelân. Wat volgt is een barre tocht langs meerdere Duitse wachtposten en mijnenvelden. Ze trekken in de richting van Eezerveen en langs het Oranjekanaal richting Schoonoord. Ze krijgen van bewoners het advies om de bossen te mijden, omdat zich daar parachutisten ophouden, die geregeld schoten. Ze lopen langs heidevelden en door moerassen. Ze zakken tot hun knieën in de drassige bodem. Ze zien niks anders dan heide tot ze twee militairen tegenkomen. Jakob schrijft hierover:

 

Dichterbij gekomen lopen twee mannen in onze richting. Het zijn militairen. Ze wenken. Grimmig hebben ze zware machinepistolen voor zich uit. Onze harten kloppen snel.Als we op een 30 m genaderd zijn, roept de ene: Do you speak English? “Yes Sir”, roept de Vries, die naast me loopt. “The first one must come here”, klinkt het bevel, en de Vries gaat alleen verder. “Sit down”, wordt ons toegeroepen. De Vries is onze tolk. “How are you?”. De Vries laat zijn stamkaart zien. “Where do you come from”. We are political prisoners, all escaped from a camp. Op onze vraag of we door kunnen trekken, wijst de Tommie vooruit en zegt: There are the Germans, en achter zich wijzend zegt hij: There are the Canadians, and You are free. Dat we in vrij Nederland zijn wil haast niet tot ons doordringen. We kunnen het haast niet geloven. De stemming is niet uitbundig. Verder trekken mag niet – aan thuiskomen valt niet te denken. Hoe lang zullen onze wegen gescheiden zijn?

 

Fam. Marissen

De stemming is dus niet uitbundig na deze bijzondere ontmoeting. Ze mogen niet verder en zijn gedwongen terug te keren en onderdak te zoeken. Ze komen uiteindelijk bij een boerderij aan ergens op het Ellertsveld tussen Schoonoord, Orvelte en Westerbork. Ze zien de bewoners al buiten staan en na een voorzichtige kennismaken mag de groep vermoeide mannen op de deel blijven slapen. In de Drentse huiskamer van de familie Marissen eten ze als wolven, sinds lange tijd weer uit een bord, op een stoel! De mannen moeten wel meehelpen, want de familie Marissen bestaat naast pa en moe uit 10 kinderen waarvan er nog acht thuis wonen. Ze worden zeer gastvrij ontvangen en ze besluiten bij de familie Marissen te blijven totdat het weer veilig genoeg is om weer richting Friesland te gaan. Op donderdag 12 april werd bij de buren de bevrijding enigszins feestelijk gevierd, aldus Jakob:

 

Vaderlandse liederen, volksliederen, en stichtelijke wijzen wisselen elkaar af. Er wordt een mop getapt, melk gedronken en vrij gerookt. De Drent is gastvrij en royaal. Toch vieren we anders feest dan de Drenten. Het hart van de Friezen is er niet. Men denkt aan thuis. De beklemming is nog niet ten volle weggenomen.

 

Op vrijdagavond 13 april wordt er besloten om de volgende dag de terugreis te aanvaarden. Adressen worden uitgewisseld en met een gezellige avond wordt er afscheid genomen van de familie Marissen. Jakob zijn laatste dagboekfragment is van zaterdag 14 april:

 

Om 9 u brengt boer Marissen ons per kar langs de zandweg naar het Oranje – kanaal. Hier en daar zijn de sporen v.d. oorlog achtergebleven, een opgeblazen brug, beschadigde bomen, een afgebrande boerderij, een dode Duitser, en honderdtallen auto’s, motoren, tanks enz. enz. Drie onzer mogen tot de Halerbrug met een Tommie meerijden. De Halerbrug, hoewel geheel vernield, werd door 12 man in 1 u tijd door een nieuwe vervangen, waarover de zwaarste tanks passeren. We praten wat met de Tommies en genieten van een aangeboden sigaret. Die smaakt!! Wat een materiaal.Via Hoog- en Laaghalen naar Smilde. In Hooghalen nogal wat schade. In Laaghalen op de schooi om eten. Daar wordt, met veel moeite een boer gecharterd, die ons tot Smilde brengt. In Smilde wordt een nieuwe wagen gevorderd. De knecht brengt ons tot Appelscha. In Appelscha hebben we minder succes met een voertuig. We lopen daarom tot Oosterwolde, waar we in 3 groepen gaan en bij boeren onderdak vinden. De melk smaakt goed. Wanneer zullen we thuis zijn? In Midden-Friesland wordt gevochten. Thuis zal de spanning ten top stijgen.

 

Het zal een lange reis worden die uiteindelijk een eind zullen maken aan drie onzekere maanden voor Willy en Jakob. Sam Duin komt na een barre reis uiteindelijk in de omgeving van Almelo terecht waar hij wordt opgevangen. Hij besluit om zich gelijk aan te melden voor de marine. Omdat hij nog zo jong is heeft hij een handtekening nodig van zijn vader. Voor hem betekend dat een lange reis van Almelo naar Beverwijk, deels nog door bezet gebied. Hij heeft na de oorlog altijd contact gehouden met Willy Brown, die weer terugkeerde naar Arnhem.

 

Dankzij de aantekeningen van Jakob Hanenburg is het me vorig jaar gelukt om in contact te komen met de familie Marissen. Wat volgde was een bijzondere dag toen ik samen met Roelof Marissen, Etie Post (nicht van Willy Brown) en Betty Hanenburg (dochter van Jakob) terug ging naar de boerderij van de familie Marissen en waar we bij de broer van Roelof nog een tastbare herinneringen vonden van de ontmoeting tussen de groep vluchtelingen de de familie Marissen 70 jaar eerder.