NIEUWS

STRAFKAMP YDE 1944-1945

HERINNERINGEN

MARCUS RONA

Hieronder het verhaal van Marcus Rona, een inwoner van De Punt. Zijn vader, net als veel andere dorpsgenoten, hielp een aantal mannen met ontsnappen. Dit was zeker niet zonder risico. Zoals Marcus al schrijft was de Landwacht dichtbij.

 

Verhaal van Marcus Rona, geboren 1933, tijdens de oorlog wonende bij zijn ouders aan de oostzijde van het Noord-Willemskanaal.

 

Het is september 1944. Ik zie nog hoe ze aankwamen. Een grote groep mannen kwam over de Kampstukkenbrug (brug 13) onder begeleiding van Duitse soldaten in geelachtige uniformen. Bij iedere boerderij werd halt gehouden. Bij onze boerderij werden er twintig afgeteld waar wij onderdak aan moesten geven. Ze moesten slapen in stro op de koe/paardenstalzolder en in het hooi. Ze moesten voor Organisation Todt verdedigingswerken aanleggen in de vorm van eenmansgaten, loopgraven en tankgrachten. De mannen waren onder dwang tewerkgesteld, het waren geen arrestanten (dus mannen uit de vrije ploeg).

 

Om twaalf uur kregen ze warm eten in de vorm van stamppot en een soort pap. Dat werd aangevoerd vanaf een centrale keuken in grote ketels. ’s Avonds konden ze brood, boter en beleg halen bij Café Jager op De Punt. Dan ging ik wel vaak mee en kon je lachen met de hele groep in het café. Het duurde niet al te lang dat de groep steeds kleiner werd. Die waren in de nacht vertrokken. Maar er waren ook die bij mijn vader kwamen met de vraag: “ik wil graag naar huis kun je mij helpen”? Vader had contact met de beurtschipper die de route Groningen-Drachten en misschien nog wel verder bevoer. Het contact was gauw gelegd met de sluiswachter Talens en de schipper. In de avond als het donker was moest hij naar de schuilkelder, 100 meter van de boerderij, en daar de nacht doorbrengen en in de vroege morgen naar de sluis lopen waar hij op de boot kon stappen. De boot voer langs ons huis en vader gooide dan zijn plunje op de boot en weg was hij. Zo zijn er meerder vertrokken. Dit was echter niet zonder gevaar want schuin tegenover ons aan de andere kant van het kanaal woonde het hoofd van de Landwacht, wanneer het mis ging dan was je natuurlijk aan de beurt. Twee broers, één van de twee heette Age, hun vader had een boomgaard nabij Leeuwarden, zijn vertrokken op de fiets in dameskleding. De zuster van de jongens heeft ze opgehaald. Vader, altijd vol grappen, gaf ze een goede raad mee: “ga onderweg niet tegen een boom plassen want dan ben je het haasje”. Ze zijn goed overgekomen. Bij het afnemen van het aantal werd het gezellig. Op 6 december 1944 waren mijn ouders 31 jaar getrouwd. De kamer zat vol, er werd gezongen en het slagwerk was een paar klompen. In februari 1945 zijn er ook nog twee Amsterdammers bij ons geweest die sliepen naast de koeien op de koestal. Fré Luiks was een van die jongens, heeft later dienst gedaan in Ned. Indië en is nog wel eens bij ons op bezoek geweest. Hij woonde later in Purmerend. Ook was er bij ons een oude zeeman De Ruiter uit Rotterdam. Een zuster van De Ruiter was getrouwd met Harm Jansen en Harm Jansen was vroeger een schoolkameraad en buurjongen van mijn vader.

 

De strafploeg die gevangen zaten in de school in Yde heb ik ook dagelijks onder strenge bewaking naar het werk zien gaan. Het was een trieste groep die er dan langs trok. Ik stond toevallig bij de brug toen er één was gevlucht richting de Drentsche Aa naar Noordlaren. Twee Duitse soldaten  stonden op die man te schieten maar ze hebben hem niet geraakt.