STRAFKAMP YDE 1944-1945

HERINNERINGEN

Piter Krol

Hieronder een hoofdstuk uit het boek “Suteljenderwize te plak”, geschreven door Piter en Jelle Krol. Het boek beschrijft de herinneringen van bakkersknecht Piter Krol (Hijum, 1927 – Drachten, 2003) in de periode 1940-1948.

 

Piter wilde heel graag bakker worden. Als zoon van een boerenarbeider was dat echter niet makkelijk. In oorlogstijd was Piter bakkersknecht bij bakkers in Oudebildtzijl, Lioessens, Finkum, Stiens, Beetgumermolen en Minnertsga, waar hij het bakkersvak leerde. Het boek schets een goed beeld van het leven in deze dorpen en er wordt ook geschreven over zijn tijd in de Blokhuispoort en in strafkamp Yde. Hij wist al snel samen met een paar anderen te ontsnappen, wat zeker niet zonder gevaar was. Ook niet voor de dappere mensen die hen onderdak verleenden. Piter maakte in 1952 zijn droom waar toen hij in Drachten bakker werd. Na zijn pensionering hebben zijn kinderen hem aangespoord zijn herinneringen op papier te zetten. Het betreffende hoofdstuk over strafkamp Yde is door mijzelf vertaald vanuit het Fries. Het boek is te bestellen via Afûk.

 

 

OPGEPAKT

 

Finkum, december 1944

Het is eind november. Ik vraag mijn baas om pepernoten, omdat mijn moeder een paar kinderen heeft logeren en ik graag wil strooien. Zijn vrouw zegt me dat ik wel voorzichtig moet doen. “Ik ga wel achterom langs de heg”, zeg ik. Ik ben nog maar net thuis bij het afdak van de deur als ik hoor: ”Halt! Bleib stehen!”. Ik doe de deur open en roep: Duitsers! Er schijnt gelijk een lamp in mijn gezicht. De Duitsers pakken me vast en duwen me de kamer in. Dat is niet best, want Durk, Jan en Sjoerd zijn ook thuis. Nu hebben ze ons allemaal te pakken, denk ik nog. Zo gaat het ongeveer ook. Sjoerd kan zich nog net achter de deuren van de bedstee verstoppen, maar Durk en Jan staan in de kamer. Ze halen snel hun Ausweis uit hun broekzak. Daar staat hun vrijstelling op, maar het haalt niets uit. “Kommen Sie mit, schnell”. Ze trekken hun jassen aan en gaan naar buiten. Dit kunnen we niet meer winnen. Mem is helemaal overstuur. Jan stelt haar gerust. “Wees maar niet bang, ik ben snel weer thuis. Maak je geen zorgen”. We lopen naar de straat waar nog vier jongens staan. Er staan twee Duitsers omheen met twee honden. Het is de Grüne Polizei uit Marrum, niet de gemakkelijkste. En daar gaan we, in marstempo richting Stiens. Bij de grote kerk aldaar moeten we blijven staan. Twee blijven bij ons, met de honden. De anderen halen een stuk papier uit hun zak, kijken naar de namen die erop staan en lopen naar de jongens toe. Ondertussen verschijnen er Tommies in de lucht. “Tommies!”, zeg ik. Een van de moffen neemt. Ondertussen verschijnen er Tommies in de lucht. “Tommies”, zeg ik. Een van de moffen neemt zijn geweer en wil me met de kolf een klap verkopen. Ik buig zo snel, dat hij mis slaat. Daar komen de anderen al aan. Dan gaan we naar Sint Annaparochie. Daar is een kazerne waar we naar binnen moeten. Als we daar aankomen, is het al tussen tien en elf uur. We worden de kazerne ingeduwd, de marechaussee moet zich er maar mee redden, zo lijkt het wel. We komen in een kamer, waar we tegen de wand aan gaan moeten zitten. “Alles zit hier vol, zegt de marechaussee, ik ben al vier nachten niet op bed geweest. Waar moet ik met jullie heen? Ik zit er mooi mee. Hoe hou ik jullie tegen? Als er één mist, schieten ze me dood en ik heb vrouw en kinderen”. “Nou, zeggen we, u hoeft voor ons niet bang te zijn. Zolang wij onder uw verantwoordelijk vallen, zal er niks gebeuren. Daar kunt u van op aan”. Het duurt niet zo lang tot de man in slaap valt. Zijn sleutels liggen op tafel. In een ommezien zijn de cellen open en zitten we allemaal in de kamer. De marechaussee slaapt maar door, hij is doodop. Dan komen de verhalen los. De één komt hier vandaan, de andere daar. Het blijkt al gauw, dat we allemaal zijn opgepakt. De Duitsers hebben ons allemaal op papier. Sommigen komen uit Hallum, Finkum, Stiens en Berlikum, anderen komen van Oudebildtdijk en uit Sint Annaparochie. De meesten hebben wat kleren en eten bij zich. Dat is hun gebracht door moeders en kennissen, want ze hebben hier al een paar dagen gezeten. Maar wij hebben niks anders dan de kleren die we aan hebben en geen eten, niks.

 

Thuis is, zo verneem ik later, alles in rep en roer. Moeder is helemaal overstuur, nu we alle drie zomaar in een keer weg zijn. Waarheen? Dat is de grote vraag. Moeder en Sjoerd zijn snel naar bakker Ultsje gegaan. Daar kijken ze er raar van op. Wat moeten we hier zo snel aan doen, is het. Maar niemand die het weet. Ze weten ook niet waar we heen zijn gebracht. Sjoerd zegt:” Het kan me niks schelen, maar ik ga naar boer Joute want Jan kan morgenochtend niet komen te melken. En hij heeft ook nog een extra Ausweis omdat hij kostwinner is”. Sjoerd gaat door de weilanden naar de boerderij. Daar willen ze hem nauwelijks binnen laten, omdat het al zo laat en donker is. Als ze horen dat het Sjoerd is, komt de boer bij de deur. Het luikje gaat open: “Wat doe je hier zo laat in het donker, jongen?”. “Nou, zegt Sjoerd, de Polizei uit Marrum heeft de jongens opgehaald. Jan, Durk en Piter, alle drie”. “Nou, nou, kom erin”. De boer loopt hoofdschuddend de kamer op en neer. “Waar zijn ze naartoe?”, vraagt hij. Dat weten we niet, is Sjoerd zijn antwoord. “Weet je wat? Ik ga morgenochtend gelijk naar Jan Tjallema”. “Naar Jan Tjallema? zegt Jentje, Joute-boer zijn zoon verbaasd, die is immers N.S.B.-er. Daar moet vader niet naar toe gaan. Hij heult met de Duitsers”. “Maar niet op die manier, dat hij mijn mensen hier bij me weghaalt. Geen sprake van. Zeg maar tegen je moeder, dat ik morgenvroeg naar Tjallema ga. Dan komt jullie Jan weer thuis. En nu voorzichtig. Jij moet onderduiken, in ieder geval ‘s nachts. Je moet maar kijken waar je naar toe kunt gaan, maar denk erom, je hebt geen Ausweis. Kijk goed uit”. Sjoerd is toen weer naar huis gegaan en heeft bij moeder verslag uitgebracht. Van slapen is die nacht thuis niet veel gekomen, ook niet bij ons.

 

Als de marechausseeman in de kazerne in Sint Anne weer wakker wordt, weet hij niet wat hij ziet. We zitten allemaal in de kamer en de celdeuren zijn open. Hij kijkt verschrikt om zich heen. Maar we zijn er allemaal nog en we geven hem de sleutels weer terug. De andere mannen gaan weer terug naar hun cel. We proberen dan maar om wat te gaan slapen. We hebben gehoord, dat Akko Dalhuizen ons naar Leeuwarden zal brengen met de janplezier, een postwagen met twee paarden ervoor. Daar rijdt hij ook wel mee om mensen van en naar het ziekenhuis te brengen. Net over tienen is Akko er met de wagen. Vijf politieagenten staan erom heen en dan moeten we erin, nadat eerst de bagage van de andere mannen ingeladen is. Ik pas er eigenlijk niet meer bij. “Nou, zeg ik gooi mij maar bovenop de bagage, daar pas ik nog wel”. Zo klim ik over de mannen en daar lig ik dan. De jongens uit Stiens zeggen, dat ze er even uit willen om wat kleren te halen omdat ze niks bij zich hebben. Eerst mag dat niet. Maar als wij in Stiens zijn, blijft Akko staan, want hij kent de jongens wel. We mogen er even uit, als we afspreken dat we niet zullen ontsnappen. Nou, dat beloven we hem. De één gaat hierheen en de ander daar, maar we komen allemaal weer terug. Dan gaan we op weg naar Leeuwarden, naar het Huis van Bewaring aan het Blokhuisplein. Daar zijn de moffen ook. De wagen wordt tegen de deur gereden en we mogen eruit. We worden gelijk door de Duitsers gefouilleerd. Dan word ik in een cel geduwd, waarna de deur op slot wordt gedraaid. Er zit nog iemand in de cel. Ik keek hem eens aan en zeg: “zo, u hier ook?”. “Ja, gisteren hebben ze ons gepakt”. “Nou, ons ook. Waar komt u vandaan?”. De man is wat stiekem en zegt niet veel. “Ik kom uit Finkum, zeg ik, en nu moeten we maar afwachten, zeker?”. Dan gaat de deur open en wordt er weer iemand binnengebracht. “Moet u hier ook zijn”, vraag ik. “Ja, zegt hij, al voor de derde keer, ik ben het al gewend”. Zijn haar is eraf geschoren. “Bjinse Ernst, zegt hij, ik kom uit de Wouden. Ik heb weer een paar schapen geslacht, zie je”. Het is een vreemde kerel. Hij ijsbeert wat door de cel, die maar anderhalf bij drie meter groot is. Er is in ieder geval niet veel plek voor ons drieën. In de hoek staat een emmer met een deksel. “Dat is de poepdoos”, zegt Bjinse. “Als jullie wat teveel hebben, kan dat daar dan in”. Hij moet er zelf om lachen. Verder staan er nog twee bedden en er ligt een opgerold matras op de vloer. Daar moet ook één op slapen, denk ik. Er staat een stoel en er hangen wat planken aan de muur, dat is de tafel. Veel ruimte is er niet.

 

Om een uur of twaalf moeten we eruit om te luchten. We komen in een stenen ruimte met draad erboven. Ik hoor aan de andere kant stemmen. Daar worden ze ook gelucht. Ik begin te roepen: ”Ben jij dat, Durk?”. “Ja”, roept er iemand terug. Dan stapt de bewaker op me af “Mond houden, anders ga je hier weg”. Maar ik ben al blij, dat ik Durk heb gehoord, want we hadden elkaar nog niet gezien. We wisten niets van elkaar. Het kwartier buiten is snel voorbij en we moeten weer naar onze cel. De deur wordt achter ons afgesloten. Daar staan we dan. Maar wat achter elkaar aanlopen en liedjes zingen, meer kunnen we niet. Om twaalf uur krijgen we wat eten door het luikje. Je ziet de man die ons bewaakt niet eens, alleen zijn handen. Het lijkt wel of de dag een week duurt. Er komt geen einde aan, want we kunnen niks en hebben ook niks. ’s Avonds om negen uur gaat het licht uit en proberen we te gaan slapen. Bjinse gaat op het matras liggen. “Dat ben ik wel gewend, zegt hij, ik lig meestal op de grond”. De slaap wil bij mij maar niet komen. Hoe zou het thuis zijn met moeder en bij bakker Ultsje? Weten doe ik het niet. Joute-boer is, zoals we het later begrijpen, die ochtend vroeg naar Jan Tjallema gegaan, een N.S.B.-er in hart en nieren. Hij moet tegen Tjallema hebben gezegd: ”Luister eens, nu hebben ze gisteren Jan, mijn vaste arbeider en de oudste zoon en kostwinner van Attsje, opgepakt. Dus nu kun je wel begrijpen hoe het er momenteel bij mij voor staat. Meer dan 30 koeien, met alles wat daarbij komt, moeten verzorgd worden. En dan Attsje, die vrouw is alleen met haar kinderen. Zo kunnen we toch niets? Dit kan nooit de bedoeling zijn, alles gaat zo op de kop verkeerd. Hier moet wat aan gedaan worden. Jan heeft een vrijstelling en de juiste papieren en toch nemen ze hem mee”. “Duivels, hoe kan dat?”, moet Tjallema toen gezegd hebben. “ Dit kan zo niet. Ik ga zelf naar Leeuwarden en erop staan dat ze hem vrij laten. Ik pak gelijk de fiets, dan gaan we samen “. “Ik ga niet mee naar Leeuwarden”, was Boer-Joute zijn antwoord toen. “Het is nu aan jou. Ik reken erop dat Jan vanavond weer komt om te melken en te voeren. Ik ga weer terug naar huis. Al het werk is blijven liggen. Ik reken op je”.

Joute-Boer moet toen naar moeder gefietst zijn en zou gezegd hebben: ”Reken er maar op dat Jan vandaag weer thuis komt. Ik heb Jan Tjallema ingeschakeld, dus zal het wel goed komen”. En zo is het ook uitgekomen. Tjallema is direct naar de hoge staf in Leeuwarden gegaan. Maar gemakkelijk ging het niet. Het had nog heel wat voeten in de aarde, maar hij kreeg uiteindelijk wel het document waarin stond dan Jan vrijgelaten moest worden. Daarmee toog Tjallema naar het Blokhuisplein, naar de wacht. Ze lieten hem door. Dan komt hij bij drie Duitsers met het bevel, dan Jan Krol mee moet komen en vrijgelaten moet worden. Bovendien moet hij een bewijs meekrijgen voor algehele vrijstelling met een stempel van Seyss-Inquart, de opperbevelhebber in Nederland, erop. Eerder ging Tjallema niet weg. Het komt uiteindelijk klaar, maar het heeft wel een hele ochtend geduurd. Jan komt vrij en heeft het bewijs voor algehele vrijstelling op zak. Hij zet de pas erin en gaat op huis aan! ’s Avonds is hij weer thuis op de boerderij. Onze Sjoerd slaapt daarna geen nacht meer thuis. Hij slaapt ergens in een hooizolder, gaat ’s ochtends weer naar huis en zit daarna thuis te spinnen.

 

Na drie dagen wordt bij ons de celdeur open gedaan. Mijn naam wordt genoemd, ik heb het op de gang al gehoord. Wat zal er nu gaan gebeuren, denk ik, zullen we voor de hoge mannen moeten komen of worden we vrijgelaten? Wie weet?. We komen op de gang en daar is het druk. Ik zie onze Durk ook. Ik erheen. “Durk, zeg ik, weet je wat ons te wachten staat?”. “Ja, jongen, zegt hij, wij gaan op transport. Waarheen weet ik niet, maar we gaan hier in ieder geval weg. Zodra we de kans krijgen, moeten we maken dat we wegkomen”. Maar dat pakt anders uit. We komen bij de controle en krijgen allemaal een nummer op de mouw. Er staan drie Duitsers met mitrailleurs bij. “Einsteigen”, zeggen ze. Er staat een grote vrachtwagen met de achterkant naar de deuren toe, daar moeten we in met tweehonderd man. Het lijkt erop dat dat nooit gaat lukken, maar ze duwen ons erin met het geweer in de rug. We staan op elkaars klompen, zo dicht op elkaar, de houten schotten kraken erover. Op het laatst gaat de flap dicht. Ze rijden zowat de hele dag met ons om, maar op het laatst blijft de vrachtwagen staan en wordt de flap open gedaan. Opnieuw staan er drie Duitsers bij de wagen. Wij moeten naar een school en ons opstellen op het schoolplein. Dan worden we geteld. Dan moeten we met 200 man de school in. Er ligt stro in de lokalen. Het is zulks fijn stro, het lijkt wel kaf. Je kunt wel zien dat er eerder mensen in hebben gelegen. Alles zit onder het stof. Bij een grote kachel in het midden van het lokaal kunnen we gaan liggen. Bij elke deur staat een wacht met het geweer op de schouder. Wij krijgen elk een homp brood, dat we eerst kunnen opeten. Bij de kachel staat een mand vol hout. Ik kijk er eens in en gooi wat hout op het vuur, want het is bijna uit. En zo maak ik van mezelf een stoker. Ik denk, dan heb ik ook wat te doen. Het is een drukte van belang. De een is de ander aan het vragen waar hij vandaan komt. We komen zowat allemaal uit Friesland. Die nacht slapen we in het stro. De kleren en jassen houden we aan, want het is al flink winter. ’s Ochtends, bij het ontwaken, hebben we allemaal een snor, zo heeft het fijne stro gestuifd. We moeten ons wat wassen, zo goed en zo kwaad als dat gaat, en moeten daarna aantreden op het plein. Daar worden we geteld en krijgen we een schep. Dan wordt de mars ingezet. De schep over de schouder. Drie bij drie het dorp uit. We zijn in Drenthe, zien we nu. We moeten naar een dorpje dat De Punt heet. Daar moeten we de landerijen in om loopgraven en tankvallen te maken. In lange rijen scheppen we de graszoden eraf. Vijf Duitsers houden ons in de gaten, het zijn al oude mannen met het geweer over de schouder. Maar als er iemand bij de wal zijn behoefte moet doen, wordt het geweer op hem gericht. Zo bang zijn ze dat er iemand ontvlucht.

 

Die middag komt de ketelwagen met warm eten en twee paarden ervoor het pad op. We moeten ons opstellen en kunnen dan eten krijgen. We hebben geen borden bij ons. Dus moet het maar op de scheppen. Het is stamppot witte kool, maar dat het warm is, is het voornaamste. Als we er een paar weken zijn geweest, missen er op een ochtend een paar man. Dat is niet best. Er komt een hoge commandant en hij raast en tiert hevig. Hij slaat een paar man met de kolf van zijn geweer tegen hun hoofd, tot het bloed uit hun oren komt. Ze kronkelen voor hem op de grond. Hij schopt en slaat om zich heen, net of hij buiten zichzelf is zo lijkt het wel. Daarna moeten we takkenbossen halen. Die worden op een bult gegooid. Het is de bedoeling dat we er overheen moeten lopen als de bult in brand staat. Maar een van onze mannen is leraar en spreekt goed Duits. Hij krijgt permissie om met de commandant te spreken, want iedereen is van mening dat dit te ver gaat. Dit moet als het even kan, niet doorgaan. Het lukt de man. We moeten onze scheppen pakken en ons weer opstellen en in marstempo naar het werk lopen. Daarna vernemen we, dat we zelf een kamerwacht moeten aanstellen uit onze eigen ploeg. Dan is de kans niet groot dat er ’s nachts mensen vluchten, omdat anders de kamerwacht wordt doodgeschoten. Onze man is dat met de commandant overeengekomen en zullen we het dan maar moeten doen. Dus ’s nachts niet meer weglopen, spreken we af. Als we toch willen vluchten, dan maar overdag tijdens het werk onder de Duitse wachten, maar niet bij eigen volk.

 

Hoe het kon begrijp ik niet, maar op een avond, het is al niet vroeg meer, staan moeder en ons Pytsje voor de deur. Hoe is het toch mogelijk, dat ze ons hier konden vinden en dat ze wisten waar we zaten? Helemaal vanuit Finkum op de fiets hier naar toe, naar een dorp dat bij mijn weten niet eens op de kaart staat! Hoe hebben ze dit ooit kunnen vinden? Maar daar zijn ze en ze mogen ook nog bij ons in de school komen. Dat staat de wacht hun toe. Ze hebben wat brood van Ultsje meegenomen en schone kleren, wat overalls en wat ondergoed. Wij zijn zo blij als kinderen. Maar hoe moet het nu verder? Ze kunnen niet in de school blijven, met al die mannen. We hebben ook geen bed. Zelf slapen we in het kaf. We hebben al weet ik hoe vaak gevraagd om nieuw stro, maar het is er niet. Pytsje en moeder gaan dan maar naar het dorp toe. Misschien dat ze daar ergens kunnen slapen. Maar om een uur of zeven, acht zijn ze er weer. Ze konden geen slaapplek vinden. Gelukkig is de Duitse wacht al vertrokken. We moeten zelf de wacht houden. We worden het erover eens dat moeder en Pytsje dan maar tussen Durk en mij in het stro moeten slapen. Hoe moet het ook anders? Wij maar vragen, hoe moeder erachter is gekomen dat wij hier in het strafkamp zaten. Maar dat zegt ze niet en later heeft ze het ook nooit verteld. Wellicht dat ze bij Tjallema is geweest. En dat hij in Leeuwarden erachter gekomen is waarheen wij op transport zijn gezet. Een andere mogelijkheid is dat ze met Grytsen Wiersma heeft gesproken. Hij is vrijgekomen uit het kamp omdat hij invalide is aan zijn been. De volgende ochtend vertrekken moeder en Pytsje weer. Het is nog donker. De Duitse wacht moet er niet achter komen, dat ze hier hebben geslapen. Durk en ik zeggen tegen moeder:” Met oud en nieuw zijn we weer thuis, reken daar maar op. Lang blijven we hier niet”.

 

De winter slaat toe. We kunnen niet meer plaggen op het land en moeten nu de bossen in voor hout, zowel voor de Duitsers als voor onszelf om de kachel warm te houden. Ik ben de stoker, dus ik zit bij de houtploeg, haal het hout mee op en dan kappen we het hout op het schoolplein met een man of zes. De mand staat dan tussen ons in. De wacht is de school ingegaan, die wil niet buiten in de kou staan. Hij loopt wat heen en weer. ´s Avonds voordat we gaan slapen, lig ik nog een tijdje met Durk te fluisteren. “Jongen, we moeten hier weg”, zeg ik. Durk zegt:” Doe niet zo mal, we komen hier nooit langs de Duitse wacht”. “Jij moet ook bij de houtploeg gaan, zeg ik, dan ga je morgen mee naar De Punt. Je moet goed in je opnemen waar we langs gaan als we naar het bos lopen. We kunnen alleen overdag ontkomen en we moeten proberen om bij de Duitsers vandaan te komen. Op een namiddag, dan moet het gebeuren. Dan zoeken ze ons niet gelijk, want dan is het nog geen tijd voor appel. Daarom moeten we dan al ver weg zijn, want anders lukt het niet”. “Het lukt ook niet”, zegt Durk. “Eerst maar slapen, zeg ik, en morgen de ogen goed open houden in het bos”. Zo gaan de dagen voorbij. Het is flink winter en we hopen dat het weer zo blijft. Want als we ontvluchten, kunnen we door de vrieskou over het ijs.

 

Dinsdagavond hebben we altijd een bonte avond, dan doen we stukjes. Voordrachten en zo. Sommigen zijn ook aan het kaarten en dan vliegt de avond om. Vaak komen we dan ook bij elkaar vanuit de verschillende lokalen. We hebben er op onze manier wel een hekel aan, want zo zeggen wij: ”jullie zitten onder de luizen. Als we naar jullie gaan, doen wij ons hemd uit en zoeken we alle luizen eruit. Dat moeten jullie ook doen als jullie hier komen, anders willen we jullie hier niet hebben”. Op een van die avonden zie ik een kaart bij een van die mannen. “Hé, zeg ik, wat heeft u daar? “Ja, zegt de man, ik wou eens zien waar we precies zitten”. “Heeft u dat dan nog niet gezien?, zeg ik, die kant uit ligt Norg en daar ligt Roden. Maar dan bent u nog niet thuis, zeker?”. “Nee”, zegt hij, en kijkt me aan. “Waar komt u vandaan?”, vraag ik. “Ik ben Geert Bolhuis en ik kom uit Hallum”. “Zo, zeg ik, uit Hallum. Ik kom uit Finkum, dat ligt niet zo ver bij elkaar vandaan”. “Nee”, zegt hij. Ik fluister: ”wilt u vluchten?”. Hij schrikt ervan. “Ach, jongen. Het zijn hier allemaal N.S.B.-ers. Dat lukt ons nooit”. “Nou, dat weet ik zo nog niet. Moet u eens luisteren: kom morgenavond naar lokaal drie bij de kachel. Daar zit ik met mijn broer. Ik zal het flink warm houden”. “Goed, zegt hij, afgesproken”. Hij doet stiekem het kaartje weer in zijn zak. Ik zeg tegen Durk: ”er komt morgenavond een man. Geert Bolhuis”. “Die ken ik wel, zegt Durk, daar heb ik samen mee op school gezeten in Hallum. Ik heb hem hier al eens eerder gezien, hij zit in lokaal 1”. “Hij heeft een kaart”. “Wat wil hij daar dan mee?”. “Hier weg natuurlijk, wat anders?”. “Jongen, ze pakken je gelijk weer op met al die landwachten hier. Vergeet dat maar. Jij met je plannen!”. “We praten wel weer, zeg ik, morgenavond. We gaan eerst slapen. Die verrekte kachel is ook bijna uit. Sommigen snurken al. Wij moeten ook gaan slapen”.

 

De volgende avond om ongeveer 9 uur; daar komt Geert al aan. Maar hij heeft nog iemand bij hem. Evert Faber, hij komt uit Berlikum. Wij gaan in een kring zitten. De meeste mannen zijn al gaan slapen. Er zitten nog enkele te kaarten Geert zegt zachtjes:” Willen jullie hier ook weg? Heb ik dat goed begrepen?”. ” Nou ja, zegt Durk, maar denk je, dat ons dat gaat lukken met al die landwachten om ons heen?”. “Dat weet ik niet, maar als we niks doen dat wordt het ook niks”. Ik zeg: ” We moeten ook niet te angstig zijn. Je hebt een kaart, toch? Als we al gaan, moeten we wel weten welke kant we op moeten. Anders hoeven we er ook niet aan te beginnen”. Geert haalt de kaart uit zijn zak. “We zullen eerst richting Roden moeten en dan door de weilanden. We kunnen natuurlijk niet over de weg”. “We moeten steeds de binnenwegen volgen, anders lukt het ons niet niet”. Durk besluit, we moeten er eerst nog even goed over nadenken. Die nacht doe ik geen oog dicht en doe niets anders dan denken over hoe we het moeten aanpakken. Zo verlopen nog weer een aantal dagen. De kerstdagen komen al in zicht, maar daar vernemen we toch niets van in het kamp. We moeten gewoon doorwerken, maar ik zeg al tegen Durk:”Als we Oudejaarsdag bij moeder thuis willen zijn, dan moeten het binnenkort wel plaats gaan vinden want we gaan het niet in één dag redden om thuis te geraken”. Op een avond komen de twee mannen weer door de deur. We liggen al in het stro, maar als ik ze opmerk ben ik klaarwakker en geef Durk een stomp. “Wat wil je nu weer?”, zegt hij. “Wakker worden. Geert en Evert zijn er.” En dan valt het besluit. De volgende morgen om vier uur vertrekken we, spreken we af. Alle kleding die we hebben, moeten aangetrokken worden. Er mag niks achterblijven wat met ons te maken heeft.

 

De volgende ochtend is het mooi winterweer, de zon komt erbij. We gaan naar het bos in het oude ritme, samen in optocht. We hebben afgesproken, we zullen elk een mand met hout tussen ons in dragen om naar school te brengen. Het is drie uur, als we elkaar het sein geven. We komen bij de wacht, melden ons en brengen het hout in de school. De mand komt weer tussen ons en we zeggen tegen de wacht dat we nog een mand vol hout moeten halen. We krijgen toestemming, we zetten de mars erin. Halverwege het bos gaan we overdwars een pad in en daar gooien we de manden neer. Dan overdwars het bos in en maar lopen, achter elkaar aan. Dan komen we bij een open veld. “Goed uitkijken, jongens”, zeg ik. We hebben al een flink eind gelopen door een stuk of wat landerijen, als we een Landwachter opmerken. “Vallen!”, roept Durk. We gaan plat op de grond liggen en kruipen naar een sloot. Gelukkig zit er ijs in, we liggen tegen de wal aan. Wel een uur, want er komt nog een Landwachter voorbij. De een wordt door de ander afgelost. “We moeten over het ijs kruipen en aan het einde kijken of we weg kunnen komen”, beweer ik. Dan gaat elk om de beurt de weg over. Het lukt. De tijd gaat door en het wordt al duister. We lopen door en door, de ene weg in, de andere uit. Op het laatst komen we bij een stuk heide uit. Hoe moet het nu? Nergens zien we licht. Alles is verduisterd, dus waar zou het licht vandaan moeten komen? Geert zegt:” Kijk, daar staat de maan, die komt daar op en gaat daar onder. Ik zou zeggen, we moeten die kant op”. Dat doen we , want we kunnen ook niet blijven staan. We komen voor een petgat te staan. Daar durven we niet overheen, dus gaan we er maar omheen. “Hier is een pad, zegt Evert, daar moeten we naartoe. Dan komen we vast en zeker in de bewoonde wereld”. Dus zetten we de vaart er weer in. Op het laatst zien we wat huisjes. “Daar moeten we naartoe”, zeg ik. “Wat wil je daar dan?”, vraagt Durk. “Nou, we kunnen vannacht niet buiten blijven, toch? Dan hebben ze ons zomaar te pakken. “Nee, zegt hij, eerst maar even gaan kijken”. We lopen een paar huisjes voorbij en dan zeg ik:” Hier ga ik heen”. “Niet doen! zegt Durk, daar staat een grote hondenkop op het hekje, die vreet je ze op” . “Die daar op het bord doet niks” zeg ik en ik klop op de deur. En ja, de deur gaat op een kiertje open. “Wie is daar?”, vraagt een stem. “ Heeft u ook onderdak voor ons?”, vraag ik en tegelijk zijn de anderen er ook. “Vluchtelingen, zeker, zegt de man, kom gauw binnen”. Verdorie, die grote hond is er ook en grommen dat hij doet! “Goed volk”, zegt de man en de hond gaat weer in zijn mand liggen.

 

We stappen de woonkamer in. Er liggen takkenbossen bij de kachel. Het is er lekker warm. De man zegt: ” Ik zal gauw wat eten voor jullie klaar maken, wat spek met roggebrood en wat tarwebrij. Het is zo klaar, ga maar lekker zitten”. Hij gooit nog wat hout op de kachel. Daar wordt een gietijzeren pan met melk op gezet. We zitten er goed. Durk zegt:” Wat een geluk dat jij hier hebt aangeklopt”. De bedsteedeuren gaan open en er komt nog een man aan. “Goedenavond, zegt hij, jullie zijn uit het strafkamp?”. “Ja”, zeggen wij een beetje angstig. Zitten we nu in de val? Maar nee, het valt mee. “Ik ben een spoorman en ik ben hier ondergedoken. Hier loopt de vluchtroute langs vanuit verschillende kampen”. We kijken elkaar eens aan. “Ja, zegt hij, ik breng jullie morgen om vier uur door het dorp, want het stikt hier van de landwachten. Maar ik weet de weg, dus wees maar gerust”. De man die ons binnen heeft gelaten zegt:” Hier komt geen Duitser of Landwacht of het erf, want de hond vreet ze levend op, daar heb ik hem op getraind , dus wees daar maar niet bang voor”. We krijgen onze maaltijd en hij zegt:” Nu breng ik jullie naar de stal boven de koeienruggen. Daar is het lekker warm en de hond gaat mee”. We gaan achter hem aan de trap op en het stro in. “Ga hier maar slapen. Morgen om vier uur roep ik jullie en dan gaan jullie weer verder”. De hond gaat strak tegen me aan liggen en elke keer als ik beweegt, gromt dat kreng. Durk zegt:” Straks eet hij jou nog op, ik vertrouw dat beest niet”. “Kop dicht en gaan slapen! Morgen moeten we weer verder”, sis ik.

Het is alweer snel vier uur. We hebben maar nauwelijks geslapen. Wij weer met de ladder naar beneden. In de kamer zit de spoorman met een briefje voor hem op de tafel. Ons eten staat klaar: melk, brood met spek en eten voor onderweg. Hij zegt:” Ik heb hier de route op staan. Die moeten jullie volgen. Ik breng jullie door Roden en dan gaan jullie steeds binnenweggetjes langs. Die moeten jullie beslist volgen, anders loopt het verkeerd af”. Wij maar druk op het briefje kijken en we zeggen: ” Hoe moeten we dat vinden?”. “Ik breng jullie een heel eind op weg, dan is het niet zo moeilijk meer. Hier op deze hoek, hij wijst op zijn briefje, daar staat een winkel en daar moeten jullie direct achterom naar binnen gaan. Dat is bij een kruising waar meestal Duitsers of Landwachten staan. De mensen van de winkel vertellen jullie hoe jullie verder moeten gaan”.

 

De man brengt ons die ochtend een heel eind op weg. Dan legt hij uit, hoe we verder moeten. Tot zover is het in ieder geval al goed gegaan. Hij zegt nog, dat als ze ons te pakken krijgen, wij het papiertje op moeten eten. Hij gaat terug en we lopen flink door. Met twee man lopen we een stuk verder, met flink wat tussenruimte. Zo onopvallend mogelijk. Toch zien we overal spoken. Soms is het een boom of wat anders en dan laten we ons vallen. Op het laatst zien we wat huizen staan. Voorzichtig gaan we verder en kijken eerst goed op de kaart. Ja, dit moet dat winkeltje zijn. We gaan achterom. Daar komt de vrouw al aan. “Jongens wat zijn jullie gelukkig. Ze zijn net weg, die zwartrokken. Ze stropen alles af. Ze zijn hier ook in de winkel geweest. Ik zal jullie gauw vertellen hoe jullie verder moeten. Zo en zo en dan komen jullie bij een boerderij uit. Daar krijgen jullie te eten bij een zekere Appelhof. Jullie moeten daar direct de stal in gaan”. De vrouw brengt ons over de kruising het binnenweggetje in. Wij maar lopen, twee bij twee. We zijn doodmoe als we uiteindelijk de boerderij zien. De buitendeur is open, we kunnen zo naar binnen lopen. Achter de koeien langs lopen we op de keukendeur af. We roepen: ”Volk!”. Daar komt de boer ook al aan. “Bent u boer Appelhof?”, vraagt Evert. “Ja, zegt hij, kom maar gauw binnen, mannen. Dan zal de vrouw wat eten klaarmaken, want lang kunnen jullie hier niet blijven. Schuif maar snel aan”. De boerin komt ook binnen met een grote koekenpan in haar handen. Die komt op de kachel met wat vet erin. We krijgen een heerlijke maaltijd gebakken aardappels met karnemelkpap na. Dat gaat er wel in, want we hebben flink honger gekregen. Zo komen we weer wat bij onze zinnen. “Nou, jullie zijn al een flink eind onderweg. Uit Yde zeker, want de meesten uit Drenthe volgen deze route. Waar moeten jullie naar toe”? “Wij moeten naar Stiens en Hallum”. “O, dan moet ik eerst eventjes zoeken, wan zover loopt mijn route niet. Die gaat tot Veenwouden”. “Nou, dat is niet zo erg. Dat laatste eind weten we zelf wel, als we daar eerst maar zijn”.

 

“Ja, zegt de boer, maar zover komen jullie vandaag lang niet. Dat begrijpen jullie wel. Kom even kijken naar mijn briefje. Jullie moeten Drogeham aanhouden. Niet naar de plaats zelf gaan, maar naar twee boerderijen die in een kromming van de weg liggen. Daar komen jullie op aanlopen, als je de route op het briefje goed volgt. Het zijn allemaal binnenwegen. Je komt nooit door een dorp heen. Pas daar voor op, want dan zit je fout. En pas op, dat niemand dit briefje in handen krijgt. Geef mij het briefje dat jullie al hebben”. “Kijk, hier is het”, zegt Durk en haalt het briefje uit zijn sok. De boer gooit het direct in de kachel. “Zo moet je daarmee, want het is een geheime route van de ondergrondse, dus denk erom, denk erom!”.

We moeten nodig weer verder, anders komen we nooit op onze eindbestemming. We krijgen eten en drinken mee voor onderweg. De boer laat ons uit en loopt nog een eindje mee, om ons nog een keer goed de weg te wijzen. Maar het lopen van ons wordt er niet beter op. Durk heeft blaren als duiveneieren in de klompen . Hij loopt meestal op sokken, zo zeer doen zijn voeten.

 

Al redelijk snel begint het te schemeren. Opeens zegt Geert: ”Kijk, daar staat iemand op de brug. Kijk uit! Weg hier en ze snel mogelijk op de grond”. Er staan inderdaad vier soldaten op de brug. “We moeten wachten, jongens. Ze moeten ons niet zien” zeg ik. “Ze moeten eerst weg zijn”. We hebben geluk, ze gaan weer weg. Misschien zijn het wel gewone soldaten en geen lui van de Grüne Polizei. Maar ze zijn weg en dat is het voornaamste. We kunnen weer verder. Vooral nu het donker begint te worden, voelen we nog meer spanning dan eerder. We lopen en lopen. Het is al bijna half acht als Geert zegt: ”Hier moet het bijna zijn. Twee boerderijen op het einde van de weg, Het klopt met de bocht in de weg. Hier gaan we heen”. We moeten om de boerderij heen lopen en dan vinden we vanzelf de achterdeur. Voorzichtig doen we open. Je weet immers maar nooit. “Is er iemand thuis?”, roept Evert. Er komt iemand aan met een stallantaarn in de hand voor wat licht. Een jongen. Hij zegt: ”Kom er maar in, mannen, hier is het lekker warm”. We komen in de keuken, Daar zitten de boer en zijn vrouw met nog twee jongens om de tafel. “Hier zijn vier mannen, ze willen hier graag slapen. Wat zeg je, vader, dat moet maar toch? Er is genoeg plaats op het hooi in de schuur”. “Ja, zegt de vrouw, “maar ze willen eerst wel wat eten, denk ik”. “Nou, als dat mogelijk is, heel graag, want we hebben wel zin aan wat”, zeggen wij. “Dat is meestal zo, zegt de boer, als er van die nachtdravers komen. Maar gelukkig, jongen, jullie hebben ons gevonden en dat is het belangrijkste. Dat had ook anders uit kunnen pakken”. Hij heeft dat nog maar net gezegd of er komen twee politieagenten de keuken in. We schrikken ons een ongeluk. “Te laat, denk ik, ze hebben ons te pakken. Ze hebben ons gezien, dat kan niet anders”. “Goedenavond, mannen, dus jullie waren er ook weer. Jullie lusten ook wel wat – goed volk, hoor jongens, zegt de boer tussendoor tegen ons, jullie zouden een busje melk halen, zeker?”. “Ja, lachen de agenten, en deze jongens zijn zeker op weg naar huis. Nou jongens, we laten jullie wel lopen maar kijk goed uit!”. “Ja, zegt de boer, een week of drie geleden zijn ze hier nog geweest en hebben alles doorzocht. Denk er maar niet te licht over. Gelukkig hebben ze niets gevonden, anders was het niet best geweest”.

 

De vrouw is al met het eten bezig. Gebakken aardappels met meelpap. Dat ziet er lekker uit, en zo smaakt het ook. “Nu moeten jullie eens luisteren, zegt de boer, hier slapen twee en aan de andere kant van de weg bij de buurman slapen ook twee. Anders vertrouwen we het niet. Jan gaat morgenochtend om vier uur mee, want jullie kunnen niet over de brug anders pakken ze jullie. Jullie moeten over het Margrietkanaal. Daar ligt ons bootje en Jan zet jullie over. Dus, jullie moeten richting Hallum en Stiens. In dat geval kunnen jullie het beste Veenwoudsterwal aanhouden en door Oudkerk richting Bartlehiem”. “Als we eerst maar in Oudkerk zijn, dan zijn we bijna thuis moet je maar denken. Daar ben ik wel bekend”, zegt Durk. “Nou, dan kunnen jullie het stuk morgen wel lopen, denk ik. Maar het is nog een heel eind, hoor. Vergeet dat niet. We zullen nu eerst maar gaan slapen. Jan brengt twee van jullie naar de overkant”. Durk en Evert gaan mee. Ze worden daar goed ontvangen, vertellen ze later. De boer en zijn vrouw wilden hun bed afstaan. “Maar dat kan niet, zegt Durk, we hebben inktzwarte voeten. Ik heb de hele dag op sokken gelopen, want ik heb blaren als duiveneieren onder mijn voeten. En we zitten ook nog onder de vlooien van het kamp”. “Nou, dat geeft niets, zegt de vrouw, dat beddengoed doen we er morgen toch weer af”. “Ik wil dan in ieder geval graag naar het buitenhuis en onder de kraan mijn voeten wassen”. “Doe maar, maar jullie slapen op ons bed en wij gaan naar de logeerkamer”. Jan zegt: “Denk erom, morgenochtend vier uur staan jullie klaar. Ze moeten wel wat eten mee krijgen, vrouw. Anders komen ze niet thuis”.

 

Geert en ik gaan naar de schuur, de boer licht ons bij en gaan via de ladder op het hooi liggen. Daar nestelen we ons in met wat koeiendekens over ons heen. De nacht is al snel weer om en van slapen komt niet zoveel. De spanning is na twee dagen lopen zo hoog, dat het ons duizelt. Hoe zal het verder gaan? We zijn nog niet thuis. Toch val ik nog in slaap, want voordat ik het in de gaten heb roept Jan ons alweer. Hij heeft een tas met eten bij zich. We steken snel ons hoofd onder de kraan en steken de weg over naar de anderen toe. Zij staan ook al klaar. We bedanken voor alles en krijgen een briefje mee waarop staat waar we langs moeten. Jan brengt ons dwars door de weilanden naar het kanaal. Daar ligt het bootje. Wij erin. Hij zet ons zonder problemen tussen de ijsschotsen door naar de overkant. “Het moet ook niet later”, zegt hij. “Het is nu nog donker, maar ik moet ook weer terug naar huis. Ze moeten me niet zien. Vaak staan er Duitsers op de brug en dat moet ik voor zijn. Jongens, ik wens jullie een goede reis”. Hij vaart terug met het bootje en wij zetten de vaart er ook weer in, via Veenwoudsterwal op naar Oudkerk. Zo ver is het niet meer, maar mensen, wat zijn we angstig! De spanning wordt ons soms wat teveel, maar dan probeert de een de ander weer moed in te praten. Durk kan bijna niet meer. Het bloed komt door zijn sokken heen. Zodra het kan, als het ijs sterk genoeg is, lopen we over de sloten. Dan hebben we beschutting. Over het algemeen zijn het kale stukken waar we langs moeten. Mensen zien we niet op het land, maar spoken des te meer in het halfduister. Als we denken dat we mensen zien, dan is het snel achter het riet op plat op de buik. Het begint langzamerhand licht te worden. We gaan eerst maar wat eten, hebben we besloten, om dan ook het briefje met de routebeschrijving te bestuderen. Ik zeg: “Volgens mij lopen we de verkeerde kant uit. Kijken jullie maar”. Dat blijkt gelukkig niet zo te zijn. We moeten wel een eind dwars oversteken, dat komt van het lopen in de sloten. In de verte zien we een dorp liggen. Die richting moeten we aanhouden. Er staat een vierkantje op het briefje. Plaatsnamen worden niet genoemd. Dat is niet vertrouwd voor als ze ons vinden en oppakken. We zijn weer wat op verhaal gekomen, dus we gaan de wal weer op om verder te lopen. Verderop staat een huis. Wat nu? Daar kunnen we nooit omheen. Toch maar doorgaan, misschien valt het mee. En ja, daar komt al iemand het huis uit lopen, dus ze kunnen ons verwachten. Het is een oud mannetje met een stok in zijn hand. “Wat moet dat hier, mannen? Zijn jullie verdwaald? Wat is de bedoeling?”. “Hallo, zeggen wij, waar zijn we hier eigenlijk?”. “Kijk, zegt hij, hier ligt Twijzel en als je die kant op gaat kom je op de heide. Waar moeten jullie heen en waar komen jullie vandaan?”. “Dat laatste weten we zelf niet eens, maar we wilden naar Veenwouden toe en dan binnendoor langs de binnenweggetjes”, zegt Geert. “Nou, dan kunnen jullie het beste over de heide, richting Veenwouden. Maar dan moeten jullie hier niet langs. Ga maar schuin over, dan komen jullie op de weg dat achter de heide naar de rietvelden gaat. Dat is nog wel een eind lopen. Daar zijn jullie nog niet”. “Bedankt, dan gaan we maar weer verder”. “Hier, hond! Anders bijt hij jullie in je benen. In huis!” We lopen weer verder. Wat een spanning weer, maar we weten nu wel weer waar we zijn. We moeten nu wel voortmaken, anders komen we er niet. Evert moet nog helemaal naar Berlikum toe en dat is nog verder. We steken schuin over, richting het pad tussen de boomwallen. Na een paar uur lopen, zien we een spoorlijn. “Weten jullie wat?” zegt Geert, “daar kunnen we mooi langs lopen. Die gaat zeker naar Veenwouden toe en dan is het vast korter.” “Nee, jongen, zegt Evert, dat moeten we niet doen. Dat is niet veilig. Ze houden daar altijd de wacht vanwege sabotage. Als ze ons opmerken, worden we gelijk doodgeschoten”.

 

De spoorlijn staat niet op ons kaartje. “Alles goed en wel, zeg ik, maar we moeten er wel overheen. Er zit niets anders op. Een voor een en al tijgerend. En eerst goed luisteren of er niks is”. Er is gelukkig genoeg struikgewas waar we ons in kunnen verschuilen. Een voor een steken we over. Er gebeurt gelukkig verder niks. “En nu een eind door de sloot en dan het pad op”, zeg ik. Na nog wat eten en gedronken te hebben, gaan we verder richting Oudkerk. “Dan kan ik de weg wel dromen”, zegt Durk tegen mij, ” straks na Bartlehiem. Nu zijn we weer snel thuis, jongen.” “Ja, zeg ik, dat is ook zo. Als we maar zover zijn”. Bij Bartlehiem steken we de Ee over. Daar hebben we nog een adres waar wij, als het nodig is, kunnen slapen maar ook warm kunnen eten. De boerderij staat afgelegen tussen de landerijen. Het heeft een rood pannendak, zie ik. Wij erheen en door de schuurdeur. Ze zijn al aan het voeren, de boer en de knecht. “Wat hebben we hier?”, vraagt de boer. Nou, wij uitleggen. “Kunnen we hier overnachten?”. “Ja, zegt hij, zijn jullie ontsnapt? Nou, dan zal ik mijn vrouw waarschuwen dat ze wat eten klaar maakt. Vier man toch? Gebakken aardappels en een pan vol pap, dat lusten jullie vast wel, toch? Ga hier maar op de bank zitten, dan kunnen jullie even bijkomen”. Hij gaat in huis en komt al snel terug met wat warm drinken. “Mijn vrouw heeft het eten zo klaar en dan roept ze wel. Ik ga nu verder met het werk. Straks is het donker en ik wil geen lamp bij het hooi hebben, dat is niet veilig”. Het duurt niet zo lang of daar komt de vrouw al aan:” Kom er maar in, mannen”. Wij in het achterhuis en daar staat het eten al voor ons klaar. Lekker gebakte aardappels met wat spek en karnemelkpap met grutten en stroop na. Een koningsmaal. Als we het op hebben, willen we zo snel mogelijk weer weg. We bedanken hartelijk, het heeft lekker gesmaakt. Geert Bolhuis zegt:” Ik ga nu langs het water richting Hallum”. Evert Faber gaat richting Berlikum. Dus we nemen afscheid van elkaar. Durk en ik gaan de Hijumermieden door. Durk kan bijna niet meer lopen, zo zeer doen zijn voeten. Bij een arbeidershuisje ligt een oude fiets op de mesthoop. De wielen zitten er nog om en de ketting draait ook nog. Ik neem de fiets mee. Er is niemand bij het huisje. Durk stapt op. Hij kan nu fietsen, maar zonder banden gaat het niet zo snel. Ik kan hem dus nog wel bijhouden. We gaan richting Hijum. Bij Hijma gaan we achter de boerderij langs en kijken goed uit, want we zijn er nog niet. Het is alweer donker geworden: Oudejaarsavond. We gaan nu naar Finkum. De oude fiets hebben we achtergelaten. Om zeven uur, half acht kloppen we op het raam. Zo hebben we het tegen moeder gezegd en daar zijn we; gezond en wel.

 

 Thuis!!!